Turboguide
Frits van Oostrom pleit voor herinvoering meester-leerling relatie in onderwijs
Herwaardering van de praktijk is noodzaak in techniekonderwijs
Frits van Oostrom, president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en voorzitter van de Commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon, pleit voor "werkplaatsen zoals schooltuintjes", waar leerlingen van de basisschool op een actieve, speelse en concrete manier in aanraking zouden komen met techniek. Dergelijke werkplaatsen zouden lokaal moeten worden ingericht door gemeenten en (technische) bedrijven en worden voorzien van goed gereedschap. Werknemers uit de technieksector zouden er - als meester - de kinderen - als leerlingen - moeten laten ervaren wat het is om aan techniek te doen - een groot genot volgens Van Oostrom. Van Oostrom sprak tijdens een symposium van de VGT, de branchevereniging van bedrijven actief in de vliegtuigmotoren en elektriciteitssector.
Volgens Van Oostrom dient het onderwijs uit te gaan van twee kernbegrippen: de rol van de ‘meester’ die de leerling aan de hand neemt en kennis overdraagt en de herwaardering van de praktijk. Leren is ‘stelen met de ogen’ aldus Van Oostrom die ook pleit voor het SIGMA initiatief: Scholen In Gesprek Met Anderen.
Cisca Dresselhuyshoofdredactrice van Opzij en feministe van het eerste uur, stelt op hetzelfde symposium dat meisjes nog steeds een te laag zelfbeeld hebben ten aanzien van hun prestaties in technische vakken. Ouders, docenten en decanen stimuleren meisjes onvoldoende om te kiezen voor een technische richting. Meisjes zelf hebben nauwelijks een idee wat ze er mee kunnen. In andere landen is de belangstelling van meisjes voor techniek en hun zelfbeeld op dat gebied veel hoger. Dresselhuys: meisjes zouden wat meer bluf en zelfvertrouwen moeten hebben omdat blijkt dat hun prestaties in de exacte vakken vaak beter zijn dan die van jongens.
Dresselhuys pleit er ook voor dat de techniek zichzelf sexier moet presenteren: dat past in de belevingswereld van de meisjes in die levensfase. Zij geeft directeuren van bedrijven verder de raad om niet alleen te mikken op meisjes maar ook op herintredende vrouwen. Zij verwijst naar een recent onderzoek van Opzij, waaruit blijkt dat de animo bij oudere vrouwen om buitenshuis te werken groot is; zij zijn ook ambitieuzer, aldus Dresselhuys.
Hans de Boer, voormalig voorzitter van de Taskforce Jeugdwerkloosheid, zegt dat veel ouders, docenten en werkgevers geen idee hebben waar bij de jongeren van tegenwoordig “het sleuteltje hangt”om ze te motiveren voor een goede baan of opleiding. “Iedereen is de weg kwijt in de jungle van het onderwijs” aldus De Boer. Hij pleit voor een grote toestroom naar de techniek ‘omdat de jeugd daar veel meer kan verdienen dan bij een baan in de administratieve of economische sector’. De Boer vertelt over zijn praktische pogingen om in het moderne jasje van de Vakcolleges de ambachtscholen in Nederland te herintroduceren. Circa 15 scholen in Nederland staan klaar om daarmee in 2008 een start te maken. “De uitdaging is nu om de organisatorische en financiële betrokkenheid van het bedrijfsleven goed te organiseren” aldus De Boer.
Indien de toestroom van jongeren in de techniek niet toeneemt komt het voortbestaan van de high tech industrie in Nederland in gevaar. Dat is de mening van Joost van Dijk, CEO van E.ON Benelux en voorzitter van de branchevereniging VGT.
Van Dijk stelt dat verschillende high tech industriesectoren in Nederland het onderspit delven in de internationale concurrentiestrijd als er geen actie wordt ondernomen voor een grotere toestroom van gekwalificeerd technisch personeel. Volgens Van Dijk gaan de wereldwijde ontwikkelingen snel, de concurrentie om markten en schaars talent wordt steeds feller. We maken in Nederland onvoldoende gebruik van het talent dat er is, door onvoldoende belangstelling voor en stimulering van techniek in het onderwijs. Dat betreft jongens, maar met name ook meisjes. Het is noodzakelijk dat we meer in de huid van de jeugd kruipen om te begrijpen wat hen beweegt om wel of niet voor een technische loopbaan te kiezen. Techniek heeft in Nederland en voor de Nederlandse economie een enorme potentie. Salarissen zullen stijgen en de carrièrekansen van technisch opgeleid personeel zullen explosief groeien.
Van Dijk komt met vijf aanbevelingen om de belangstelling voor techniek in het onderwijs te stimuleren en de toestroom van technisch personeel in de industrie te vergroten.
Utrecht, 18 januari 2008
Informatie: Vereniging Gasturbine VGT
Klik hier voor de volledige tekst van Frits van Oostrom
Klik hier voor de volledige tekst van Cisca Dresselhuys
Klik hier voor de volledige tekst van Joost van Dijk
Back to top
NEDERLANDS KENNISCLUSTER VAN VLIEGTUIGMOTOREN BUNDELT KRACHTEN MET SNECMA
Utrecht, 26 november 2007
De strategisch technologische samenwerking tussen de gezamenlijke Nederlandse vliegtuigmotorenmaakindustrie, verenigd in de Dutch Aero Engine Cluster (DAEC), en de Franse vliegtuigmotorenproducent Snecma, verankert de internationale marktpositie van deze sector als een nog belangrijker speler in de groeiketen van toeleveranciers. In Nederland zijn er in de vliegtuigmotorenindustrie zo’n 4000 medewerkers actief. Zij realiseren samen een jaaromzet van 1100 miljoen Euro. Snecma heeft 8500 medewerkers en een omzet van 3,5 miljard Euro.
Het nieuwe samenwerkingsverband is met name belangrijk voor grote en kleinere toeleveranciers in o.a. Brabant, Flevoland en Limburg .
Binnen het DAEC participeren Sulzer Eldim, DutchAero, Nedtech en NLR. Zij worden ondersteund door de branchevereniging VGT en het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR)
DAEC en Snecma tekenen op maandag 3 december 2007 in Parijs, in aanwezigheid van diverse Franse en Nederlandse hoogwaardigheidbekleders, een Memorandum of Understanding. Dit document versterkt de technologische samenwerking voor de ontwikkeling van o.a. nieuwe energiezuinige vliegtuigmotoren en vliegtuigen. Het geeft daarnaast invulling aan het door de Nederlandse overheid ingezette luchtvaartbeleid om deze activiteiten Europees in te bedden. De samenwerking is mede daarom ook een belangrijke mijlpaal voor het kunnen implementeren van het Clean Sky Initiatief van de Europese Commissie (het 7e Kaderprogramma). Dit Initiatief is op 23 november goedgekeurd door de EU-lidstaten.
De samenwerking moet resulteren in het toepassen van geavanceerde Nederlandse technologie in de Snecma motoren, in nog beter presterende motoren op het gebied van duurzaamheid, brandstofgebruik en CO2-reductie, in het verminderen van gewicht en lagere kosten.
De intensieve technologische samenwerking moet mede leiden tot versterking van de marktpositie van de Nederlandse vliegtuigmotorenindustrie, tot deelname in nieuwe Snecma motorenprogramma’s en tot meer omzet.
De technologische samenwerking beoogt tevens dat de Nederlandse vliegtuigmotoren-industrie niet alleen componenten levert op basis van de tekeningen van de fabrikant, maar dat de industrie complete subsystemen van de motor gaat ontwerpen en produceren.
De gebundelde expertise van de Nederlandse industrie, ingenieursbureaus en kennisinstellingen genereert een hoogwaardig kennispakket dat voor Snecma bijzonder interessant is. De aantoonbare meerwaarde van dit kennispakket manifesteert zich o.a. in de combinatie van geavanceerde ontwerpkennis, materialenkennis, kennis van geavanceerde productieprocessen en het beproeven van complete prototypes.
De technologische DAEC-samenwerking met Snecma geeft in Nederland ook een belangrijke wetenschappelijke impuls aan de Technische Universiteiten. Het gaat hierbij met name om faculteiten die zich bezighouden met nieuwe materialen en constructieprocessen, geluidsreductie in vliegtuigen, schonere verbrandingsprocessen en brandstofbesparing.
Back to top
Nederlands consortium voert diepgaand onderzoek uit naar het voorkomen van schades in gasturbines
Het merendeel van schadegevallen (51%) in stationaire en luchtvaartgasturbines (vliegtuigmotoren) wordt veroorzaakt door fouten in het oorspronkelijke ontwerp van diverse componenten of door fouten in het ontwerp van de reparatieprocedure bij revisie. In 16% is er sprake van een verkeerd uitgevoerde reparatie, in 11% is er sprake van ‘normal wear and tear’ en 6% betreft een productiefout bij de OEM. In 42% van alle gevallen heeft de gebruiker, al dan niet in samenwerking met de OEM of de reparatiefirma, een duurzame oplossing voor het voorkomen van toekomstige schades gecreëerd.
Dit zijn enkele van de uitkomsten van een omvangrijk onderzoek dat onder leiding van de Vereniging Gasturbine, NLR en KEMA en in samenwerking met gasturbine-gebruikers en reparatiebedrijven is uitgevoerd.
De studie werd uitgevoerd door een consortium van 10 bedrijven en onderzoekinstellingen, waarbij in totaal 109 schadegevallen intensief zijn geanalyseerd. De schadegevallen betroffen hete stationaire componenten in zowel vliegtuigmotoren als stationaire gasturbines van divers fabrikaat. De schadegevallen zijn geïnventariseerd en geanalyseerd in een daarvoor specifiek ontworpen database. Het schademechanisme (vermoeiing, kruip, etc) maar ook de achterliggende oorzaken zijn vastgesteld. Daarnaast zijn de oplossingen die gebruikers hebben toegepast om toekomstige schades te voorkomen geanalyseerd. Opmerkelijk is dat in meer dan 40% van de gevallen een duurzame oplossing mogelijk was, in 60% van de gevallen is een andere oplossing gevonden op basis van kosten, aanwezige kennis, etc. Een fundamentele oplossing van een schadegeval is vrijwel altijd mogelijk, echter de oplossing vereist kennis en gedegen schadeonderzoek. Voorts is de oplossing in vrijwel alle gevallen maatwerk.
De studie geeft inzicht in de achtergronden van de schades, de verschillende types van duurzame oplossing die zijn toegepast, in de ‘lessons learned’ en welke kennis in Nederland zou moeten worden aangevuld.
Het onderzoek werd uitgevoerd in het kader van de Subsidieregeling Kennisoverdracht Brancheorganisaties (SKB) van het Ministerie van Economische Zaken.
Een openbaar eindrapport kan verkregen worden bij de Vereniging Gasturbine VGT, prijs 50 € (excl. BTW). Het rapport kan besteld worden door onderstaand bestelformulier in te vullen en per e-mail of fax aan de VGT te retourneren.
Bestelformulier Openbaar Eindrapport EVITA
Back to top
Study on DLN combustion systems
VGT performed a study on the effect of DLN combustion systems on the performance of stationary gas turbines. The study specifically addressed the various DLN-systems currently in use and the effect on reliability, availability, performance and maintenance. All gas turbine types were included in the study.
The study is only available for VGT-member companies.
Back to top
Market study on small gas turbines
Worldwide study on small gas turbines now publicly available
A worldwide technology and market study on small gas turbines, conducted in 2001 by a Dutch consortium, is now publicly available. The Executive Summary is available online.Until now the results of the study were restricted to the financers of the study. The report is being published by the Dutch Gas Turbine Association VGT under the title "Small Gas Turbines, state of the art and market potential". The Executive Summary is available online (www.vgt.org).
The study was performed by the Energy research Centre of the Netherlands ECN, Cogen Projects and the Delft Technical University, under guidance of the Dutch Gas Turbine Association VGT. The study adresses the current worldwide technology status and market potential.
The recent establishment of the small gas turbine market is described as well as the background for its current upswing, such as aero- and thermodynamic considerations, critical applied technologies, emissions, production cost and volumes, efficiencies and economic feasibility. A worldwide overview of all nowadays or shortly available small gas turbines has been presented.
A special chapter deals with the Dutch market, and the expected effects on environmental issues in relation to the goals of the Dutch government.
The report can be ordered at the Dutch Gas Turbine Association VGT, e-mail addres vgt@euronet.nl. The costs are EUR. 150,- excluding VAT (19%).
Back to top
|
Turboguide
The Dutch Gas Turbine Association made a new inventory of all the stationary gas turbines in the Netherlands (both on- and offshore). This third version dates from November 2003.
It concerns 330 gas turbines in the power generation sector, cogeneration units within the industry and mechanical drive applications in the on- and offshore sector. The inventary contains e.g. information about brand and type, output power, location, fuel, hours of operation per year, application area and the way of emission reduction.
The report can be ordered at the Dutch Gas Turbine Association in Utrecht
Telephone (+31) - 30 669 1966
Fax (+31) - 30 669 1969
Price is EUR. 150,- (VAT excluded)
For further information please contact Mr. A.J.A. Mom, managing director of the Dutch Gas Turbine Association (vgt@euronet.nl). |
|
Back to top