Introductie
Menige
moderne benzine- en dieselmotor wordt aangeprezen met het woord 'turbo'
in zijn type-aanduiding. Een kleine gasturbine zorgt er dan voor dat de
uitlaatgasenergie wordt gebruikt om meer lucht in de motor te persen.
De zuivere turbo-motor is de gasturbine, die vliegtuigen voortstuwt,
generatoren voor elektriciteitsproduktie aandrijft en ons aardgasnet op
druk houdt.
Volgens de eerste hoofdwet van de
thermodynamica kan warmte in arbeid worden omgezet. Deze wetenschap
heeft geleid tot de uitvinding en de ontwikkeling van allerlei
processen en machines waarin deze omzetting wordt benut. Hoewel de
eerste hoofdwet de gelijkwaardigheid van warmte en arbeid suggereert,
is het niet mogelijk warmte volledig in arbeid om te zetten. Er treden
namelijk altijd verliezen op. De grootte van die verliezen volgt uit de
tweede hoofdwet van de thermodynamica. Uiteraard hebben
werktuigbouwkundigen bij de ontwikkeling van processen en machines
voortdurend gezocht naar beperking van de verliezen, teneinde
uiteindelijk de beschikbare warmte zo goed mogelijk in arbeid om te
zetten. Om de verliezen van arbeidleverende installaties met elkaar te
kunnen vergelijken, hanteert men het begrip thermisch rendement. Dat is
de verhouding tussen de geleverde arbeid en de daartoe benodigde
hoeveelheid warmte. Sinds de zeventiende eeuw is een aanzienlijke
rendementswinst geboekt. Zo konden de eerste stoommachines slechts twee
procent van de toegevoerde warmte omzetten in arbeid, terwijl de
gasturbine-stoomturbinecombinatie van een moderne
elektriciteitscentrale meer dan 55% van de warmte in arbeid omzet.
Thermische machines
Carnot
beschreef het theoretische proces dat een hoeveelheid materie moet
doorlopen om de maximale hoeveelheid arbeid uit een bepaalde
hoeveelheid warmte te halen. In een thermische machine wordt warmte zo
goed mogelijk volgens dit proces omgezet in arbeid. In de praktijk
maken dergelijke machines gebruik van een geschikt medium: water en
stoom, of lucht en verbrandingsgas. In de machine ondergaat het medium
een reeks toestandsveranderingen. Allereerst neemt de druk van het
koude medium toe (compressie). Hiervoor dient arbeid aan de machine te
worden geleverd. In de tweede stap neemt de temperatuur van het medium
toe door de toevoer van warmte. De derde stap in de reeks is de
expansie: de druk van het medium neemt weer af. Hierbij levert het
medium arbeid, waarbij tevens zijn temperatuur daalt. Tenslotte geeft
het medium zijn warmte aan de omgeving af, zodat het weer in de
uitgangstoestand terugkeert.
Bij zuigerverbrandingsmotoren vindt
deze reeks grotendeels plaats in een afgesloten cilinder, waarbij de op
en neer bewegende zuiger zorgt voor de deelprocessen 1 en 3, voor het
aanzuigen van een zekere hoeveelheid medium (lucht) en voor het
uitdrijven van het medium (verbrandingsgas). Deelproces 2 vindt plaats
door in de gecomprimeerde lucht een hoeveelheid brandstof te
verbranden. Het medium geeft zijn warmte grotendeels pas buiten de
cilinder aan de omgeving af. Bij een stoomturbine-installatie vindt
deelproces 1 plaats in de ketelvoedingspomp. Hier wordt het medium -in
dit geval water -op de vereiste druk gebracht. Deelproces 2 wordt
uitgevoerd in de stoomketel. Warmte afkomstig van de verbranding van
een fossiele brandstof of van een nucleaire reactie wordt aan het water
toegevoerd zodat stoom ontstaat. Expansie onder afgifte van arbeid
(deelproces 3) vindt plaats in de stoomturbine. Nadat de stoom onder
lage druk de turbine heeft verlaten, wordt in de condensor de
restwarmte afgevoerd naar de omgeving ( deelproces 4 ), en keert het
water weer terug naar de ketelvoedingspomp.
Bij een gasturbine is het medium
lucht, net zoals bij een zuigerverbrandingsmotor. De deelprocessen
verlopen echter continu, zoals bij een stoomturbine-installatie. De
draaiende schoepenwielen van de compressor drukken continu lucht samen
( deelproces 1 ), terwijl van buitenaf continu brandstof wordt
geïnjecteerd, die bij verbranding in de verbrandingskamer warmte aan
het medium toevoert ( deelproces 2). Tevens vindt continu expansie
plaats ( deelproces 3) en treedt continu afgifte van warmte aan de
omgeving door de uitstoot van verbrandingsgas op ( deelproces 4 ). Een
deel van de beschikbare arbeid drijft de compressor aan die op dezelfde
as als de turbine is gemonteerd. De overblijvende energie kan op twee
manieren worden aangewend. Op de eerste plaats kan het medium verder
expanderen in een straalpijp, waardoor een stuwstraal ontstaat die een
vliegtuig voort kan stuwen. De tweede mogelijkheid is verdere expansie
in extra turbinewielen. Dat resulteert in een draaiende as die vermogen
kan leveren voor bijvoorbeeld de aandrijving van een generator.
Niet alleen gas
Vanuit
theoretisch standpunt kan een gasturbine worden omschreven als een
arbeid leverende thermische machine waarbij het medium uitsluitend in
de gasfase voorkomt. ledere thermodynamische toestand is in zo'n
machine aan een vaste positie gebonden. Gasturbines verschillen als
thermische machine van stoomturbine-instaIlaties, doordat het medium
alleen in de gasfase voorkomt. Zij verschillen van zuigermotoren door
de koppeling van de thermodynamische toestanden aan onderdelen van de
machine, terwijl die toestanden bij zuigermotoren achtereenvolgens in
dezelfde ruimte (boven de zuiger) voorkomen. De naam 'turbine' slaat
bij een gasturbine op het draaiende deel van de installatie, waarin het
medium expandeert van hoge druk en temperatuur naar lagere druk en
temperatuur. Een gasturbine bevat naast een turbinedeel ten minste een
roterende compressor en een plaats waar het medium wordt verwarmd. Dat
kan een verbrandingskamer zijn, maar ook een warmtewisselaar;
combinaties komen ook voor. Het woord 'gas' duidt bij een gasturbine op
de constante gasfase van het medium en niet -zoals velen denken -op de
in gasturbines soms gebruikte gasvormige brandstof. De meeste
gasturbines gebruiken vloeibare brandstof. In gasturbines met
warmtetoevoer via een warmtewisselaar kan iedere warmtebron worden
benut, inclusief zonne-energie en kernenergie.
Nieuwkomer uit 1791
Het
eerste patent dat de thermodynamische cyclus van het gasturbineproces
beschrijft, dateert uit 1791. Toch is de bouw van werkende machines pas
op gang gekomen vanaf 1930. Toen pas was de kennis beschikbaar die voor
gasturbines zo belangrijk is. Dat betrof zowel de aërodynamica als de
kennis van materialen die een combinatie van hoge temperatuur en hoge
mechanische belasting kunnen weerstaan. De geschiedenis van werkende
gasturbines splitst zich al snel in twee paden die elkaar, zoals we
weldra zullen zien, nog regelmatig kruisen. Enerzijds vond de
gasturbine toepassing voor stuwkracht in vliegtuigen en anderzijds voor
asvermogen in stationaire machines. Whittle in Engeland en Von Ohain in
Duitsland onderkenden beiden de toepasbaarheid van gasturbines als
vliegtuigmotor. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerden de Royal Air
Force en de Luftwaffe testvluchten uit met de eerste straalvliegtuigen.
Al snel bewees de gasturbine een waardevolle aanvulling te zijn op de
tot dan toe bekende krachtwerktuigen. De eigenschappen en mogelijkheden
van de gasturbine werden dan ook verder onderzocht. In de luchtvaart
ontwikkelde de gasturbine zich als de voortstuwingsinstallatie bij
uitstek. En dankzij de gasturbine kon de luchtvaart zich ontwikkelen
tot het huidige niveau. Het gebruik van gasturbines in stationaire
toepassingen is iets later op gang gekomen, hoewel na enkele
experimentele machines, met wisselend succes, al in 1939 de eerste
commerciële gasturbinegeneratorset in Zwitserland in bedrijf werd
gesteld. Bij de verdere ontwikkeling kon gebruik worden gemaakt van de
kennis en ervaring uit de luchtvaart.
Stationaire toepassingen
In
stationaire toepassingen worden gasturbines behalve voor
elektriciteitsproduktie ook gebruikt voor het aandrijven van
compressoren en pompen. Ten behoeve van de elektriciteitsproduktie
evolueerde de gasturbine van een nood- en piekaggregaat tot een
wezenlijk onderdeel van moderne centrales. Door de toepassing van de
gecombineerde gasturbine-stoomturbine bereikt het thermisch rendement
hogere waarden dan bij de afzonderlijke installaties. In zo'n
gecombineerde installatie doen de hete, en relatief zuurstofrijke
uitlaatgassen van een gasturbine dienst als warmtebron en/of als
verbrandingslucht voor een stoomketel. De geproduceerde stoom drijft
een stoomturbine aan. Vaak zijn beide turbines en de generator op
dezelfde as geplaatst. De ontwikkeling van kolenvergassing maakt
steenkool geschikt als brandstof voor gasturbines. De stijgende vraag
naar gecombineerde gas-stoomturbines leidde tot de ontwikkeling van
gasturbines die optin1aal zijn aangepast voor gebruik in een dergelijke
installatie. Leidraad hierbij is niet het thermisch rendement van de
gasturbine op zich, maar dat van de combinatie als geheel. De
drukverhouding van de compressor wordt zodanig gekozen dat de uitlaat
temperatuur van de gasturbine overeenkomt met de optimale temperatuur
(550°C) voor de nageschakelde stoomcyclus. Ook in andere stationaire
toepassingen vinden gasturbines reeds lange tijd toepassing. Met name
in de olie- en gasindustrie zijn snelle beschikbaarheid en geringe
afmetingen bij een laag gewicht ( offshore) argumenten om gasturbines
in te zetten voor de aandrijving van pompen, compressoren en
generatoren. In Nederland heeft de ontginning van de aardgasvelden de
toepassing van gasturbines voor aardgastransport met zich meegebracht.
De ontwikkeling van gasturbines voor andere dan luchtvaarttoepassingen
kent twee routes, die echter allebei voortkomen uit de
vliegtuiggasturbine. Een straalmotor kan rechtstreeks worden gebruikt
in de zogenaamde aëroderivatieve gasturbine. De beschikbare energie in
de uitlaatgassen wordt, in plaats van in een straalpijp, benut in een
extra turbine, waaraan een werktuig zoals een pomp, compressor of
generator kan worden gekoppeld. Bij deze route is de
vliegtuigmotortechnologie onmiddellijk toepasbaar. Maar ook de
industriële gasturbine profiteert van de voor straalmotoren ontwikkelde
technologie. Met name de kennis van hoge-temperatuurmaterialen en de
ontwerptechnieken uit de luchtvaart worden erin toegepast. De huidige
grote industriële machines zijn ontworpen voor gebruik in combinatie
met een nageschakelde stoomkringloop. Omdat gewicht en afmetingen een
geringere rol spelen, vermindert de noodzaak van een hoge
drukverhouding, die voor een vliegtuigmotor zo belangrijk is.
Warmte-krachtkoppeling
Specifiek Nederlands is op dit moment
de ontwikkeling van de markt voor warmtekracht-koppeling, mede dankzij
de recente reorganisatie van de elektriciteitsproduktie- en
distributiebedrijven. Naar verwachting zullen aardgasgestookte
warmte-krachteenheden worden gebouwd in uiteenlopende grootte. Uit de
thermodynamica weten we dat de door verbranding geproduceerde warmte
niet volledig in arbeid kan worden omgezet. In warmte-krachteenheden
probeert men de afvalwarmte van een machine die arbeid levert,
bijvoorbeeld voor de produktie van elektriciteit, nog nuttig te
gebruiken. De warmte kan ten goede komen aan diverse industriële
processen, aan verwarming, droogprocessen of zelfs koeling in
zogenaamde absorptiekoelmachines.
Grotere warmte-krachteenheden bestaan
uit de combinatie gasturbine-stoomturbine, waarbij de warmte wordt
onttrokken aan de stoomturbine. Dergelijke eenheden zijn flexibel in de
zin dat bij afnemende warmtevraag de energie ten goede komt aan het
elektrisch vermogen( afb. 8). Kleinere eenheden bestaan uit een
gasmotor en een installatie voor de terugwinning van warmte uit
uitlaatgassen en koelwater. De gasturbine bezit ideale eigenschappen
voor toepassing in warmtekrachtkoppeling. De verlieswarmte komt
geconcentreerd in de uitlaatgassen vrij. Door de keuze van de
gasturbinekringloop kan de uitlaatgastemperatuur worden aangepast aan
de warmtevraag. De gasturbine met compressortussenkoeling en
recuperator ( een warmtewisselaar, die de warmte in de uitlaatgassen
ten goede doet komen aan de gecomprimeerde verbrandingslucht) vormt een
interessante optie. Hoewel de ontwikkeling ervan in Nederland was
gestaakt, stimuleert en ondersteunt de overheid die thans opnieuw ten
behoeve van kleinschalige warmtekrachtkoppeling. Dergelijke eenheden
zullen onder meer bij ziekenhuizen, zwembaden en glastuinbouwcomplexen
verschijnen.
Door het water, over land
De
specifieke eigenschappen van de gasturbine, met name de geringe
afmetingen, het lage gewicht en de mogelijkheid het vermogen snel te
variëren, hebben geleid tot een algemene toepassing ervan voor de
voortstuwing van marineschepen. Ook voor luchtkussenvaartuigen,
draagvleugelboten en andere snelle schepen is de gasturbine de
aangewezen krachtbron. In koopvaardijschepen is het evenwel nooit tot
grootschalige toepassing van gasturbines gekomen door hun gevoeligheid
voor de brandstofkwaliteit. Weg- en railtransport hebben zich kunnen
ontwikkelen dankzij de zuigermotor. De omvang van de hierop gerichte
industriële infrastructuur maakt de kans op een geheel nieuw systeem
klein. Toch wordt er op veel plaatsen gewerkt aan gasturbines voor
voortbeweging over land. Vergeleken met de zuigermotor biedt de
gasturbine een gunstig perspectief ten aanzien van de
koppel-toerentalkarakteristiek, de optredende trillingen, de uitstoot
van schadelijke stoffen en het geluidsniveau. De technieken waaraan de
huidige gasturbines hun succes danken zijn niet zonder meer toepasbaar
in de schaalgrootte voor weg- en railtransport, waarbij motorvermogens
tot tweeduizend kilowatt gangbaar zijn. Schaalverkleining leidt bij
optimale prestaties van gasturbines tot extreem hoge toerentallen.
Hierbij zijn de conventionele glij- of wentellagers niet meer
toepasbaar. Bovendien neemt de speling tussen rotortip en huis toe. Dit
leidt tot grotere verliezen. Om een rendement vergelijkbaar met
zuigermachines te halen en de temperatuur van de uitlaatgassen
aanvaardbaar te houden moet de gasturbine in rijdende voertuigen een
recuperator gebruiken
De vliegtuigmotor
Hoewel
gasturbines interessante mogelijkheden bieden voor de aandrijving van
met name stationaire machines en schepen, ontlenen zij hun faam toch
vooral aan de voortstuwing van vliegtuigen. Na de succesvolle
demonstratie van een straalmotor door Whittle en door Von Ohain namen
verschillende fabrikanten in Engeland en de Verenigde Staten de
ontwikkeling van de vliegtuiggasturbine ter hand. De eerste machines
werkten volgens het pure-jet-principe: de motor neemt aan de voorzijde
lucht in, die wordt gecomprimeerd door een compressor. In de
samengedrukte lucht verbrandt de brandstof. De energie van de
rookgassen wordt na expansie in de turbine door middel van een
straalpijp omgezet in kinetische energie van de gasstroom. De
stuwkracht wordt verkregen uit het verschil in impuls tussen
uitlaatstroom en inlaatstroom. Een variant is de
turboprop-voortstuwing, die bijvoorbeeld wordt toegepast in de Fokker
50. Het energie-overschot na de gasturbine wordt hier via expansie van
het gas in een of meer extra turbinetrappen omgezet in mechanische
energie die een propeller aandrijft. In de zogenaamde turbofan-motoren
is vóór de gasturbine een schoepenwiel geplaatst met een beduidend
grotere diameter dan de eerste compressortrap. De stroming door de
binnenste ring vervolgt zijn weg door de gasturbine, terwijl de
stroming door de buitenste ring de motor passeert en bijdraagt aan de
stuwkracht. Bij deze motoren is de omloopverhouding belangrijk, dat is
de verhouding van de massastroom om en door de motor. Bij toename van
de omloopverhouding stijgt het voortstuwingsrendement. Dezelfde impuls
wordt namelijk verkregen door grotere massastroom bij lagere snelheid.
Een bijkomend voordeel is dat de lage-snelbeidsstuwstraal minder lawaai
maakt dan een pure-jetmotor.
Vermogen en rendement
Door
rendementsverbeteringen daalde het brandstofverbruik van
vliegtuigmotoren. Het totale rendement -de verhouding tussen de per
seconde geleverde arbeid om de vliegsnelheid in stand te houden en de
per seconde toegevoerde brandstofenergie -steeg van ongeveer tien
procent in 1940 tot 35 procent nu. Deze verbeteringen hangen nauw samen
met de hoogst haalbare druk en temperatuur in de motor. In de eerste
straalmotoren heerste een turbine-inlaattemperatuur van zevenhonderd
graden Celsius. De drukverhouding van de compressor bedroeg ongeveer
2,5. In een moderne gasturbinemotor ligt de turbine-inlaattemperatuur
boven de dertienhonderd graden celsius, terwijl de compressor de druk
op meer dan dertigmaal de omgevingsdruk brengt. Juist bij een hoge
drukverhouding en inlaattemperatuur kan de machine optimaal presteren,
dat wil zeggen een hoog vermogen leveren bij een gunstig rendement.
Afbeelding 15 laat de theoretische samenhang zien tussen druk,
temperatuur, specifiek vermogen en rendement. Het specifiek vermogen is
het vermogen per kilogram luchtverbruik per seconde. Uit de figuur
blijkt dat voor het hoogste specifiek vermogen gezocht moet worden naar
de hoogst toelaatbare turbine-intreetemperatuur en bij die temperatuur
naar de optimale drukverhouding. De toepassing van hoge temperaturen is
mogelijk geworden dankzij de beschikbaarheid van materialen op basis
van nikkel of kobalt die daartegen bestand zijn. Deze materialen met
hoge taaiheid en hoge sterkte bij hoge temperatuur stellen de
constructeurs voor extreme problemen ten aanzien van vormgeving en
bewerking. Schoepvormen kunnen slechts verkregen worden via het
verloren-wasgietprocédé in vacuüm. Alleen met een slijpmachine valt het
schoepenwiel daarna nog mechanisch te bewerken. Andere verspanende
bewerkingen zijn uitsluitend mogelijk met elektrochemische of
lasertechnieken. De hoge drukverhouding kon worden bereikt door een
nauwkeurige analyse van de stroming in compressoren. In roterende
compressoren wordt een drukverhoging bereikt door eerst de kinetische
energie van de lucht te vergroten en die vervolgens om te zetten in
druk. Bij dit laatste proces, diffusie, neemt de snelheid van de lucht
weer af. Het is deze afnemende snelheid die een aantal aërodynamische
problemen oproept. Het stromingskanaal waarin de diffusie plaatsvindt,
moet worden ontworpen op grond van massastroomcontinuïteit en
snelheidsdaling. Het verschijnsel grenslaagontwikkeling en de kans op
separatie van de wanden stellen hierbij fysische grenzen aan de
vormgeving. Verder moet rekening worden gehouden met de hoogste
stroomsnelheid in de compressor. Bij snelheden groter dan de
geluidssnelheid treden bij diffusie schokgolven op waardoor de
verliezen toenemen. Nog andere factoren zoals de vorm van de
dwarsdoorsnede van het stromingskanaal, de wandruwheid en de richting
van de inlaatstroming, zijn van invloed. Al deze factoren zijn
onderzocht en vastgelegd. Ten tijde van de eerste gasturbines was
alleen een experimentele benadering mogelijk. Een analytische
beschouwing van de aërodynamische processen in roterende
stromingsmachines kon alleen tweedimensionaal of semi-driedimensionaal
worden uitgevoerd. Dankzij krachtige computers is thans numerieke
analyse mogelijk op een wijze vergelijkbaar met de eindige
elementenmethode in de sterkteleer. Hierdoor wordt het mogelijk de hoge
drukverhouding te realiseren bij een hoog isentropisch rendement. Het
isentropisch rendement is de verhouding tussen het vermogen dat nodig
is voor de compressie in het ideale geval (zonder dat de entropie
toeneemt) en in werkelijkheid. De eerder experimenteel gevonden
wetmatigheden blijven echter gelden voor relaties tussen prestatie,
geometrie en toerental. Dit leidde tot de ontwikkeling van zogenaamde
multi-spoolmotoren. Met het toenemen van de prestaties groeide het
probleem van de spleetverliezen. Tussen huis en roterend schoepenwiel
is er steeds een spleet aanwezig. De grootte ervan hangt af van de
beweging die beide onderdelen tijdens bedrijf ten opzichte van elkaar
uitvoeren. Hierbij spelen zowel de trillingen van de rotor als
thermische effecten een rol, met name tijdens starten en stilzetten van
de machine. De beste oplossing voor dit probleem is een afslijtbare
laag in het huis, die door de erlangs bewegende schoep minimaal wordt
afgedraaid. Naast een hoge temperatuursbestendigheid wordt van deze
slijtlaag ook een geringere hardheid dan de erlangs bewegende schoep
vereist, zodat tijdens het contact alleen van de laag materiaal
verdwijnt. Moderne slijtlagen bestaan uit keramische
aluminium-siliciumcombinaties, eventueel versterkt met kunststofvezels.
Door dit bewust gekozen slijtageproces nemen de prestaties van de motor
af met een toenemend aantal bedrijfsuren. Bij revisie moeten de
afslujtbare lagen dan ook worden vernieuwd. Het materiaalgebruik voor
gasturbines is in de loop der jaren veranderd (afb 17). Het aandeel
staal neemt af, terwijl het gebruik van nikkel en titaan nu op z'n
hoogtepunt is. Het gebruik ervan zal afnemen door de ontwikkeling van
composieetmaterialen met metallische of keramische wapening. Op dit
moment zijn er voor de zwaarst belaste onderdelen nog geen keramische
materialen beschikbaar.
Besluit
De
gasturbine is later tot ontwikkeling gekomen dan de stoominstallatie en
de zuigerverbrandingsmotor. De toepassing als vliegtuigmotor heeft
zoveel voordelen, dat de meeste inspanning daarop gericht is. Inmiddels
wordt voor steeds meer toepassingen de gasturbine ontdekt, vooral in
samenhang met een nageschakelde stoomcyclus en voor
warmte-krachtkoppeling. Vrijwel alle toekomstige systemen voor
stationaire elektriciteitsproduktie zullen gebruik maken van
gasturbines. Ook voor aandrijving van voertuigen en voortstuwing van
bepaalde schepen zal de gasturbine steeds meer toepassing vinden, niet
in de laatste plaats vanwege de milieuvoordelen die zij biedt.
Literatuur
- Lier JJC v.
Thermodynamische processen in de centrale en de mogelijkheden tot het
verbeteren van deze processen. Amsterdam: Argus, 1963.
- Wilson DG. Turbomachinery -From paddie wheels to turbojets. Mechanica! Engineering 1982; oktobernummer.
- Haas H, Musil R v, Wittchow E, Ziegner M. Kraftwerke für die Zukunft. Energie 1990; 42: 4.
- Houtman CJ. Vliegtuiggasturbines. Delft: collegedictaat i54, TUD, 1989.
- Ro1ls-Royce ltd. The jet engine.
Intermezzo 1: Warmte en arbeid
Warmte en arbeid werden lange tijd als verschillende grootheden
beschouwd. Er waren vroeger dan ook twee verschillende eenheden voor:
de calorie voor warmte, en de kgf.m voor arbeid. Het is de verdienste
van de natuurkundige Joule geweest om de een heid warmte en arbeid met
elkaar in verband te brengen via het zogenaamde mechanisch
warmte-equivalent: 1 cal = 0,427 kgf.m. In het huidige
SI-eenhedenstelsel wordt de joule (J) als eenheid voor beide vormen van
energie gebruikt. De joule is gedefinieerd als het produkt van kracht
(in newton) en afgelegde weg (in meter). De omzetting van warmte in
arbeid wordt beschreven in de thermodynamica. Hierbij wordt uitgegaan
van een aantal postulaten, die enerzijds zeer plausibel zijn, maar
anderzijds w tot de verbeelding spreken, dat er nog steeds pogingen
worden ondernomen ze te weerleggen door het uitvinden van een zogenaamd
perpetuum mobile. De eerste hoofdwet beschrijft het behoud van energie.
Dit wil zeggen dat bij ieder proces de energie wel van vorm verandert,
maar dat voor en na het proces de totale hoeveelheid energie dezelfde
is. De tweede hoofdwet, waarvoor verschillende formuleringen bestaan,
zegt dat warmte niet volledig in arbeid kan worden omgezet. Dit
impliceert dat uit een hoeveelheid warmte slechts een bepaalde maximale
hoeveelheid arbeid kan worden gewonnen. De Fransman Carnot beschreef
een theoretisch proces dat een hoeveelheid materie zou moeten doorlopen
om de warmtestroom tussen twee warmtereservoirs maximaal te benutten.
Hij toonde aan dat deze maximale hoeveelheid arbeid uitsluitend afhangt
van de temperatuur van beide reservoirs. Er bestaat dus een verband
tussen de om te zetten hoeveelheid warmte en de absolute temperatuur.
Dit verband wordt weergegeven door de toestandsgrootheid entropie. Een
hoeveelheid warmte kan worden gekarakteriseerd door de maximale
hoeveelheid arbeid die eruit kan worden gewonnen. Die staat bekend als
de exergie van de betreffende warmtehoeveelheid. Slechts warmte van een
voldoende hoge temperatuur kan met een behoorlijk rendement in arbeid
worden omgezet. De mate waarin energie voor ons van nut kan zijn heeft
in het spraakgebruik geleid tot waardering in termen als 'hoogwaardige'
en 'laagwaardige' energie. Zo beschouwen we elektrische energie als de
meest hoogwaardige, en warmte met een lage temperatuur als de meest
laagwaardige energiesoort.
Intermezzo 2:
Kringprocessen
Carnot beschreef het proces dat een hoeveelheid materie in theorie moet
doorlopen om het maximale bedrag aan arbeid te winnen uit een
hoeveelheid warmte. Deze warmte is gebonden aan een zogenaamd medium:
water en stoom in stoommachines en stoomturbine-installaties, gas en
lucht in benzinemotoren, dieselmotoren en gasturbines. Het medium wordt
onderworpen aan een aantal toestandsveranderingen, waarbij arbeid en
warmte worden toegevoerd en arbeid en warmte worden afgevoerd. De
afgevoerde arbeid is groter dan de toegevoerde arbeid zodat in
overeenstemming met de eerste hoofdwet warmte in arbeid is omgezet. Het
medium keert daarbij terug naar zijn uitgangstoestand. Een dergelijk
proces wordt een kringproces genoemd. (afb. 11-1) De hoge temperatuur
waarbij de warmte wordt toegevoerd, wordt via de afgifte van arbeid
omgezet in de lage temperatuur, waarbij warmte wordt afgevoerd. Om dit
proces praktische betekenis te geven, moet het medium bij de hoge
temperatuur ook een hogere druk hebben dan bij de lage temperatuur. Het
drukverschil zorgt voor de opwekkking van mechanische arbeid. De
terugkeer van het medium naar de uitgangstoestand kan op twee manieren
geschieden. Op de eerste manier keert een vaste hoeveelheid medium
letterlijk terug in de fysieke uitgangstoestand, om vandaar uit het
kringproces opnieuw te doorlopen (gesloten kringproces). Daartegenover
staat het proces waarbij omgevingslucht dienstdoet als procesmedium. De
lucht keert na afgifte van arbeid terug in de atmosfeer, terwijl aan de
inlaat 'verse' omgevingslucht wordt aangezogen (open kringproces).
Behalve tussen open en gesloten kringprocessen, kan er nog onderscheid
worden gemaakt tussen continue en stapsgewijze processen
Intermezzo 3: De architectuur van gasturbines
Een machine die is gebaseerd op het thermo- en aërodynamische principe
van de gasturbine, kan op verschillende wijzen worden vormgegeven. In
elk geval bestaat zo'n machine uit een compressor, een as en een
turbine die in een behuizing zijn geplaatst. Tussen compressor en
turbine bevindt zich de plaats waar het medium wordt verwarmd. In de
regel bestaan de compressor en de turbine uit een aantal achter elkaar
geschakelde trappen. In de basisvorm zijn compressor en turbine, met
eventueel het aan te drijven werktuig, star op één as gemonteerd. We
spreken in dat geval van een éénassige gasturbine. Sommige aan te
drijven werktuigen, bijvoorbeeld aardgascompressoren, scheepsschroeven
en aandrijfassen voor voertuigen, hebben een steile
koppel/toerental-karakteristiek. Bij dergelijke toepassingen wordt het
vermogen van een aparte turbine-as afgenomen. De vermogensas van zo'n
twee-assige gasturbine kan onafhankelijk van het toerental van de
andere as aanlopen. Bij vliegtuigmotoren komt het multi-spool-principe
algemeen voor. De compressor en de turbine zijn daarbij gesplitst in
een lage- en een hoge-drukdeel, die op concentrisch geplaatste assen
zijn gemonteerd. De lage-drukturbine drijft de lage-drukcompressor aan
en de hoge-drukturbine het hoge-drukdeel van de compressor. Beide assen
hebben hun eigen optimale toerental. Dat is met name noodzakelijk
indien een hoge drukverhouding van de compressor is vereist.